Home
dichters
jaarlijsten
bronnen
COLOFON

versie: 19-09-2012 - redacteur: Bart FM Droog

Een bewerkt verleden
| commentaar | conclusie | bronnen


Op 10 maart 2001 publiceerde Joris van Casteren in een reeks over 'vergeten dichters' een artikel over Michaël Deak en W.J. van der Molen in De Groene Amsterdammer. Daarin noteert Van Casteren uitspraken van Deak en Van der Molen die deels weerspreken wat Deak in 1985 aan Frank van den Bogaard verklaarde, inzake de zes bloed-en bodemverzen van Aernout van Leiden (= Deak & Van der Molen) in Groot Nederland, mei/juni 1944.

Een jaar later publiceert Van Casteren een herziene versie van het Groene-artikel in het boek In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters (Prometheus, Amsterdam). Het opmerkelijke is dat die tweede versie op punten radicaal in tegenspraak is met de eerste versie.

Dat gebeurt in één passage, in het boek op bladzijden 136 en 137.

2001 - Groene Versie
 
Dat veranderde toen zij in de loop van 1943 vernamen dat Jan Campert door de Duitsers was gefusilleerd[1]. Ze zouden eens een daad gaan stellen. Toen fascistische uitgeverij De Keurkamer[2], die onder leiding stond van George Kettmann, in 1944 een poëziewedstrijd[3] uitschreef voor het beste fascistische gedicht, besloten de twee onder pseudoniem in te zenden. Van der Molen deponeerde de gefingeerde naam Arnoud van Leyden[4] bij de Kultuurkamer[5]. "Het ging heel eenvoudig", herinnert hij zich. "Je hoefde maar een formulier in te vullen. Ze waren natuurlijk allang blij dat iemand het deed."

Intussen zwoegde Kapteijn op een sonnettencyclus[6] waardoorheen hij op ingenieuze wijze een acrostichon weefde. "Gelouterd ondicht doodverft rotmoffen en hun hiellikkers genoegzaam onbevoegd", stond er te lezen als je de beginletters van elk van de negen[6a] sonnetten onder elkaar las. Als de oorlog voorbij was, zouden zij het voor de bezetter beledigende acrostichon onthullen. De kans uitverkoren te worden achtten zij groot, omdat de andere inzendingen afkomstig waren van lompe SS-auteurs als George de Sévooy, Nico de Haas en Henri Bruning.[7]

Om het pseudoniem wat bekendheid te geven had Van der Molen in de maanden ervoor volkse lyriek naar het door de Duitsers geannexeerde literaire blad Groot Nederland gestuurd[8]. "Achteraf bezien is het allemaal erg risicovol geweest", zegt Van der Molen[9]. In die tijd kende zijn bravoure echter geen grenzen. Hij woonde zelfs een receptie van de Kultuurkamer bij [10]. "Op zeker moment stond ik met zo’n hotemetoot bij de pisbak. Hij begon over de armzaligheid van het bestaan[11]. Kennelijk mocht hij mij graag want hij gaf mij nog een adresje waar ik een baal suiker kon ophalen."

Omdat Dolle Dinsdag uitbrak en Kettmann op de vlucht sloeg, is de Keurkamer-prijs nooit uitgereikt[13]. Na de oorlog werden Kapteijn en Van der Molen door Adriaan Venema, die het acrostichon over het hoofd zag, nog beschuldigd van pro-Duitse gezindheid.[14]
  2002 - Boekversie

Dat veranderde toen zij in hetzelfde oorlogsjaar vernamen dat Jan Campert door de Duitsers was gefusilleerd[1]. Ze zouden eens een daad stellen. Toen de NSB-uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer[2] begin 1944 een poëziewedstrijd[3] uitschreef, besloten de twee onder pseudoniem in te zenden. Van der Molen deponeerde de gefingeerde naam Arnout van Leyden[4] bij de Kultuurkamer[5]. "Het ging heel eenvoudig", herinnert hij zich. "Je hoefde maar een formulier in te vullen. Ze waren natuurlijk allang blij dat iemand het deed."

Intussen zwoegde Kapteijn op een sonnettencyclus[6] waardoorheen hij op een acrostichon weefde. "Gelouterd ondicht doodverft rotmoffen en hun hiellikkers genoegzaam onbevoegd". De kans uitverkoren te worden achtten zij groot; er was weinig concurrentie te duchten, of het moesten de poëtisch weinig begaafde bruine dichters als George de Sévooy, Nico de Haas en Henri Bruning zijn. [7]

Om het pseudoniem bekend te maken werd wat volkse lyriek gestuurd naar het door de nazi's geannexeerde literaire blad Groot Nederland[8].
"Achteraf bezien is het allemaal erg risicovol geweest", zegt Van der Molen[9]. In die tijd kende zijn bravoure echter geen grenzen. Op een keer woonde hij zelfs een feestje van de Keurkamer bij[10]. "Op zeker moment stond ik met zo'n poëet bij de pisbak en begon over de armoedigheid van mijn bestaan[11]. Waarop hij zei: "Je koopt en verkoopt. Ik kan je wel aan een baal suiker helpen, die koop je van mij en je levert hem door aan een derde."Zo geschiedde. De volgende dag  stonden de koper en ik weggedrukt in het portaal van de Mozes en Aäronkerk toen na uren wachten een aapjeskoerier voorreed, zonder passagiers, maar wel met een zak suiker. Ik trad naar voren met in mijn hand de tweeduizend gulden van de koper, waarvan ik er duizend gaf aan de koetsier, en ging mijnsweegs. Die volkse dichter, zijn naam is me ontschoten, heb ik nooit meer gezien.[12]" Na de oorlog werd Van der Molen door Adriaan Venema, die het acrostichon over het hoofd zag, nog beschuldigd van pro-Duitse gezindheid.[14]

[15] In het laatste oorlogsjaar drong Kapteijn in zijn eentje een verlaten Duitse bunker binnen. Hij sloeg het interieur kort en klein, en kwam daarbij ongelukkig ten val. Zijn ruggengraat raakte beschadigd. Later bleek dat de oorzaak van een tuberculeuze aandoening.[16] Hij moest opgenomen worden in een katholiek sanatorium in Wijk aan Zee, waar hij tot lang na de bevrijding bed moest houden. Talloze verzen componeerde hij er, waaronder de Rondo voor Ria: "Verwen mij nu met bramen en frambozen,/ met vreemde vruchten, want vruchteloos fruit/ werd mij uw huid die ’k niet meer kan liefkozen/ omdat de houtworm al met tussenpozen/ in mijn gebeente een stille doodsklok luidt."

Ria was een schalkse dame met wie Kapteijn tot aan zijn ongeval een stormachtige affaire had onderhouden. Zij was de huishoudster van een zekere Greetje, die getrouwd was met een aan het front liggende Wehrmacht-soldaat. Van der Molen had deze Greetje tot buitenechtelijke escapades weten te bewegen. Op een keer maakten ze gevieren in de Amsterdamse woning plezier, toen plotseling de Wehrmacht-soldaat thuiskwam. Hals over kop vluchtten Kapteijn en Van der Molen het huis uit en met bijeengeraapte kledij klommen zij de schutting over.

 
[15] In het laatste oorlogsjaar drong Kapteijn in zijn eentje een verlaten Duitse bunker binnen. Hij sloeg de boel kort en klein, en kwam daarbij ongelukkig ten val. Zijn ruggengraat raakte beschadigd. Na de oorlog bleek dit de oorzaak van een tuberculeuze aandoening[16]. Hij moest opgenomen worden in een sanatorium in Wijk aan Zee, waar hij een jaar het bed moest houden. Tal van verzen verzen schreef hij er, waaronder het Rondo voor Ria: "Verwen mij nu met bramen en frambozen,/ met vreemde vruchten, want vruchteloos fruit/ werd mij uw huid die ’k niet meer kan liefkozen/ omdat de houtworm al met tussenpozen/ in mijn gebeente een stille doodsklok luidt."

Ria was een schalkse dame met wie Kapteijn tot aan zijn ongeval een affaire onderhield. Zij was de huishoudster van een zekere Greetje, die getrouwd was met een geïnterneerde Wehrmacht-soldaat. Van der Molen had deze Greetje tot buitenechtelijke escapades weten te bewegen. Op een keer maakten ze gevieren in de Amsterdamse woning plezier, toen plotseling de Wehrmacht-soldaat thuiskwam. Hals over kop vluchtten Kapteijn en Van der Molen het huis uit en met bijeengeraapte kledij klommen zij de schutting over.




















































































Commentaar

1.
Dat Jan Campert gefusilleerd zou zijn kan berusten op een verkeerde herinnering van Deak of Van der Molen. Toch zou je van een journalist mogen verwachten dat hij dit gegeven controleert en wijzigt in iets als 'dat Jan Campert in een concentratiekamp was omgekomen'. Het is maar een kleinigheid, maar in het licht van wat Van Casteren verder schrijft een significante kleinigheid.

2. In 2001 noemt van Casteren De Keurkamer een 'fascistische uitgeverij'. Zo zou je het kunnen zeggen. Maar in 2002 is het 'de NSB-uitgeverij'. Dat laatste is simpelweg onjuist. De Amsterdamsche Keurkameruitgever en SS-er George Kettmann Jr. stond op voet van oorlog met de NSB.

Zie bijvoorbeeld Gerard Groeneveld. Zwaard van de geest. Het bruine boek in Nederland 1921-1945 (Vantilt, 2009 (2de druk)), blz 381: 'NSB-Uitgeverij Nenasu bestreed niet alleen Zwart Front in de strijd om de macht en vice versa, maar zette ook uitgaven van De Amsterdamsche Keurkamer en later alle publicaties van eigenaar Kettmann op de lijst met verboden boeken."
En: Frank van den Bogaard. Een stoottroep in de letteren. 'Groot Nederland', de SS en de Nederlandse literatuur (1942-1944). Stichting Bibliographia Neerlandica, 's-Gravenhage, 1987, blz 33: ''Kettmann wist de N.S.B.-leiding zo te beledigen, dat Mussert hem voor zijn eigen ogen zou hebben willen laten executeren."
En: W.S. Huberts. Schrijver tussen daad en gedachte. Leven en werken van George Kettmann Jr. (1898-1979), met een bibliografie. Stichting Bibliographia Neerlandica, 's-Gravenhage, 1987, blz 52: ''Op aanraden van de SD, die zijn veiligheid niet langer kon garanderen na deze in bedekte termen door Mussert gedane oproep om Kettmann te liquideren, meldt Kettmann zich op 1 oktober 1942 bij de SS-Propaganda Kompanie. (...) Op 27 oktober vertrekt hij als oorlogsverslaggever voor een periode van zes maanden naar het Oostfront."

3. Uit uitgebreid archiefonderzoek is niets van het bestaan van enige poëziewedstrijd in 1944 gebleken. Wél van een door De Amsterdamsche Keurkamer uitgeschreven prozawedstrijd - maar wie daar een sonnettencyclus voor zou hebben ingezonden, zou bij voorbaat kansloos zijn geweest.

4. De naam waaronder Deak en Van der Molen in Groot Nederland publiceerden luidde: 'Aernout van Leiden'. Van Casteren maakt daarvan 'Aernoud van Leyden' (2001) en 'Aernout van Leyden' (2002).

5. Volgens Van Casteren had Van der Molen zich begin 1944, vóór deelname aan de wedstrijd (waarvan het bestaan niet bewezen is), ingeschreven bij De Kultuurkamer.

Maar Deak had in 1985 aan Frank van den Bogaard verteld (Een stoottroep in de letteren, 1987, blz. 180) dat Aernout van Leiden niét stond ingeschreven bij de Kultuurkamer, toen het mei/juni-nummer van Groot Nederland verscheen, medio 1944.

Desgevraagd deelt historicus en 'het bruine boek'-specialist Gerard Groeneveld mee dat het formeel niet mogelijk moet zijn geweest om buiten de Kultuurkamer om bij een officieel tijdschrift als Groot Nederland te publiceren (e-mail aan auteur, 30-05-2012). Maar in de chaos die het Derde Rijk heette was alles mogelijk - dus dit punt zou nader onderzocht moeten.

W.S. Huberts beschreef  in 'Vestdijk en de Kultuurkamer' (Vestdijkkroniek, december 1987) wat de procedure bij het aanmelden bij de Kultuurkamer was. Dat was beslist complexer dan enkel een formuliertje invullen, zoals Van der Molen in 2001 beweerde. Huberts, 1987:

'De gang van zaken bij aanmelding bij de Nederlandsche Kultuurkamer was als volgt. Men schreef een brief, waarin men te kennen gaf zich te willen aanmelden. Als reactie volgde dan de toezending van een aanmeldingsformulier. Wanneer men dit formulier ingevuld had geretourneerd, volgde de toezending van een tweede aanmeldingsformulier, ditmaal bestemd voor het gilde waarin men zou worden geplaatst - er bestonden in totaal zes gilden voor zes verschillende beroepsgroeperingen van kunstenaars. Dit tweede aanmeldingsformulier was vergezeld van een ariërverklaring. Beide formulieren moesten worden ingevuld, ondertekend en geretourneerd.

Dit behelsde de formele aanmelding. Deze aanmelding werd door de Nederlandsche Kultuurkamer in behandeling genomen en het besluit werd dan de aanvrager t.z. t. medegedeeld. Door het constante personeelstekort en het verloop van de oorlog, is het bijna nooit voorgekomen dat de gehele procedure werd afgerond. Slechts zeer weinig mensen hebben daadwerkelijk bericht gekregen dat hun aanmelding geaccepteerd werd. Het bleef meestal bij terugzending van de toegezonden twee formulieren.'

6. Het is heel prijzenswaard dat Deak gezwoegd heeft op 'een sonnettencyclus waardoorheen hij op ingenieuze wijze een acrostichon weefde'. Vijf  van die gedichten bestaan. Dat staat vast: het manuscript werd getoond op de tentoonstelling in 1985. Een van die gedichten werd afgedrukt in Een stoottroep in  de letteren (1987). Wat echter niet vaststaat is wannéér ze geschreven zijn. Want niemand had ze gezien, voor Deak ze op 14 augustus 1985 aan Frank van den Bogaard stuurde. Van het bestaan van die wedstrijd had tot die datum niemand gehoord. 

Dan schrijft Van Casteren : 'Als de oorlog voorbij was, zouden zij het voor de bezetter beledigende acrostichon onthullen.' Maar waarom dan tot 1985, dus 41 jaar, daarmee gewacht?

6.a In 1985 werden de vijf bewuste sonnetten tentoongesteld. Dat er het negen zouden zijn geweest, is of een fout van Deak/Van der Molen of van Van Casteren.

7.  In 2001: 'De andere inzendingen afkomstig waren van lompe SS-auteurs als George de Sévooy, Nico de Haas en Henri Bruning.'
In 2002: 'Er was weinig concurrentie te duchten, of het moesten de poëtisch weinig begaafde bruine dichters als George de Sévooy, Nico de Haas en Henri Bruning zijn.'

Dat Van Casteren de melding van lompe SS-auteurs (in 2001) veranderde valt te prijzen. Want wat je ook van George de Sévooy (alias etc.) mag vinden, hij is nooit SS-er geweest en zijn poëzie kan zelfs met de slechtste wil ter wereld niet als lomp worden aangeduid.

Maar waarom Van Casteren de ene misvatting verandert in een andere blijft vooralsnog de vraag: 'de poëtisch weinig begaafde bruine dichters'- uitgerekend De Sévooy en Bruning kunnen gezien worden als de begaafdste der bruine dichters. De Sévooy debuteerde al in 1935, op vijftienjarige leeftijd, in het toen nog neutrale Groot Nederland, dat destijds onder redactie stond van lieden als Jan Greshoff en Simon Vestdijk (in de loop van '35 was er een redactiewisseling, zie voor de details: Wat een degradatie, om van een Forum op een blad vol wijven terecht te komen!. Briefwisseling tussen Menno ter Braak, Frans Coenen, J. Greshoff, Van Holkema & Warendorf, H. Marsman en S. Vestdijk over de reorganisatie van het letterkundig maandschrift Groot Nederland in 1935. Bezorgd door S.A.J. van Faassen (Letterkundig Museum/Bas Lubberhuizen, Den Haag/Amsterdam 1996), online op http://www.dbnl.org/tekst/_gro002svan01_01/_gro002svan01_01.pdf )

8. Van Casteren, 2001: 'Om het pseudoniem wat bekendheid te geven had Van der Molen in de maanden ervoor volkse lyriek naar het door de Duitsers geannexeerde literaire blad Groot Nederland gestuurd'.
Van Casteren, 2002: 'Om het pseudoniem bekend te maken werd wat volkse lyriek gestuurd naar het door de nazi's geannexeerde literaire blad Groot Nederland.'

Ook hier is weer te prijzen dat Van Casteren zichzelf corrigeert. Het waren inderdaad niet de Duitsers, maar de nazi's, specifiek de Germaanse SS, die 'Groot Nederland hadden overgenomen.

Echter: de mysterieuze prijs zou begin 1944 zijn uitgeroepen. Medio 1944 publiceert Groot Nederland zes onverbloemde 'volkse' verzen van het tweetal, onder de naam Aernout van Leiden. Die volgens Van der Molen wel en volgens Deak niet bij de Kultuurkamer stond ingeschreven.  Die verzen zouden nog vóór de prijsinzending zijn opgestuurd, dus eind 1943, of héél vroeg in 1944 . Het kan, materiaal blijft soms maanden op de plank liggen.

9. 'Achteraf bezien is het allemaal erg risicovol geweest", zegt Van der Molen.'

Het enige risico dat ik, anno 2012, kan waarnemen was het gevaar dat hun betrokkenheid bij Groot Nederland in het na-oorlogse klimaat niet gewaardeerd zou worden.

10. Van Casteren, 2001: Hij [Van der Molen] woonde zelfs een receptie van de Kultuurkamer bij.
Van Casteren, 2002: Op een keer woonde hij [Van der Molen] zelfs een feestje van de Keurkamer bij.

Vragen, vragen. Welke receptie bezocht hij nu? 't Is nogal een verschil. Normaliter zou je zeggen: de recentste versie is de juiste. Maar bij de eerdere opmerkingen is al aangetoond dat voor Casteren 'herzien' ook kan betekenen 'ontbeteren'. Het gevaar van het bijwonen van een Kultuurkamerreceptie of een Amsterdamsche Keurkamerfeestje ontgaat me, behalve dat het niet verstandig was om ná de oorlog te zeggen dat je een van beide had bijgewoond.

Er is nog iets anders merkwaardigs met deze receptie of dit feestje aan de hand: Groot Nederland, waar Deak & Van der Molen, aan meewerkten, werd uitgegeven door Uitgeverij Van Holkema & Warendorf. De Amsterdamsche Keurkamer wilde een bundel van Aernout van Leiden/het tweetal uitbrengen, zo blijkt uit een brief van George Kettmann aan H. Lohse van het Referat Schrifttum d.d. 09-11-1943 (beschreven in Een stoottroep in de letteren, 1987 blz 60). Van Casteren rept daar met geen woord over.
Terwijl de geplande verschijning van een debuutbundel juist zou kunnen verklaren wat een van hen (of beiden, dat kan ook) op een Keurkamerfeestje te zoeken had.

11. 2001: "Op zeker moment stond ik met zo’n hotemetoot bij de pisbak. Hij begon over de armzaligheid van het bestaan."
2002: "Op zeker moment stond ik met zo'n poëet bij de pisbak en begon over de armoedigheid van mijn bestaan."

Wie-o-wie had het nu waarover precies?

12. 2001: Kennelijk mocht hij mij graag want hij gaf mij nog een adresje waar ik een baal suiker kon ophalen."
2002: Waarop hij zei: "Je koopt en verkoopt. Ik kan je wel aan een baal suiker helpen, die koop je van mij en je levert hem door aan een derde."Zo geschiedde. De volgende dag  stonden de koper en ik weggedrukt in het portaal van de Mozes en Aäronkerk toen na uren wachten een aapjeskoerier voorreed, zonder passagiers, maar wel met een zak suiker. Ik trad naar voren met in mijn hand de tweeduizend gulden van de koper, waarvan ik er duizend gaf aan de koetsier, en ging mijnsweegs. Die volkse dichter, zijn naam is me ontschoten, heb ik nooit meer gezien."

De logica achter de transactie uit de versie van 2002 ontgaat me.  En ik vraag me af of je de naam van iemand die je in 1944 duizend gulden (wat toen een behoorlijke geldsom was) gaf zo makkelijk vergeet.

13: 2001: 'Omdat Dolle Dinsdag uitbrak en Kettmann op de vlucht sloeg, is de Keurkamer-prijs nooit uitgereikt'

In het boek staat hier verder niets over. De Amsterdamsche Keurkamer plande een bundel van het tweetal uit te brengen. Maar door het faillissement van de uitgeverij kwam het er niet van. Kettmann is overigens pas ná de oorlog gevlucht.

14. Van Casteren, 2001: Na de oorlog werden Kapteijn en Van der Molen door Adriaan Venema, die het acrostichon over het hoofd zag, nog beschuldigd van pro-Duitse gezindheid.
Van Casteren, 2002: Na de oorlog werd Van der Molen door Adriaan Venema, die het acrostichon over het hoofd zag, nog beschuldigd van pro-Duitse gezindheid.

Je kan veel over Venema zeggen, maar niet dat hij dat acrostichon ongenoemd liet. Ook beschuldigt hij geen van beide van pro-Duitse gezindheid. Hij schrijft dat hij twijfelt over Deaks lezing en die twijfel is m.i. terecht. 

15. 'In het laatste oorlogsjaar drong Kapteijn in zijn eentje een verlaten Duitse bunker binnen. Hij sloeg het interieur kort en klein.'

Was dit voor of na de bevrijding? In de versie van 2001 gebeurt dit vóór de bevrijding (want ten gevolge van de val zou hij tot na de bevrijding bed gehouden hebben. Dus was het een koene verzetsdaad. En dat terwijl hij ook nog eens een relatie heeft met een huishoudster van een vrouw van een aan het front gelegen Duitse soldaat.

In de boekversie van 2002 is het ná de bevrijding - want nu heeft hij tot zijn ongeval een affaire met een huishoudster van een vrouw wier man een Duitse geïnterneerde soldaat is, die opeens thuiskomst.

16. 'Zijn ruggengraat raakte beschadigd. Later bleek dat de oorzaak van een tuberculeuze aandoening.'

Recent kwam ik bij het lopende NPE-onderzoek twee dichters tegen, waarvan de één in 1933 en de ander in 1944 tbc hadden opgelopen. Die ziekte kregen ze niet van rugletsel, maar van gevangenis- (1933) en concentratiekampverblijf. Zie: http://nederlandsepoezie.org/dichters/v/verstraete.html#boeken - essays

Jos Vinks en Erik Verstraete. De dood van een dienstweigeraar. Berten Fermont 1911-1933. Jenny Posmiers, Ekeren, 2001. Omvang 143 p.
Berten Fermont was een Vlaams-nationalist die weigerde zijn militaire dienstplicht te vervullen "omdat de Belgische staat de Vlaamse volksgemeenschap haar rechten onthoudt". Tijdens zijn detentie liep hij TBC op, waaraan hij (thuis) overleed. [bron: Vlaams Belang, http://www.vlaamsbelang.org/dagopdag/300/ ].


terug naar boven




Conclusie

Betreffende Aernout van Leiden c.q. Michaël Deak en W.J. van der Molen

Welke rol Michaël Deak (Simon Kapteijn) en W.J. van der Molen nu daadwerkelijk in de Tweede Wereldoorlog speelden zal uit nader archiefonderzoek moeten blijken. De feiten zijn helder:

Vanaf 30 mei 1942 was publiceren in een 'bovengronds' tijdschrift als Groot Nederland in principe alleen mogelijk als de auteur ingeschreven stond bij de Nederlandsche Kultuurkamer.

Simon Kapteijn publiceerde als Michaël Deak het gedicht 'Seminarist' in Groot Nederland, april 1943. Deak en Van der Molen publiceerden (onder het pseudoniem) Aernout van Leiden zes bloed- en bodemverzen in Groot Nederland nr. 5/6 (mei juni) 1944.

Ze zouden (onder het pseudoniem) Aernout van Leiden – eind 1944 debuteren met een bundel in de Voorteekens-reeks bij De Amsterdamsche Keurkamer. Die verscheen niet vanwege het faillissement van de uitgeverij.

De ware naam van Aernout van Leiden was bekend bij de Groot Nederland-redactie en/of bij De Amsterdamsche Keurkamer. Daardoor kon Frank van den Bogaard in 1985 Simon Kapteijn/Michaël Deak traceren.

Betreffende Joris van Castreren

In 2001 heeft Joris van Casteren voor De Groene Amsterdammer een quasi-journalistiek stuk geschreven waarin het oorlogsverleden van Deak en Van der Molen aan de orde komt. Uit niets blijkt dat hij hiervoor enig serieus onderzoek heeft gedaan.

Hij noemt noch in zijn eerste stuk (2001) noch in de herziene versie (2002) zijn bronnen. Dat kon hij ook niet, want hij had - op Deak en Van der Molen na - geen bronnen geraadpleegd.

Toch rekent hij een van de bestaande bronnen - Adriaan Venema - nalatigheid en het doen van een valse beschuldiging aan. Terwijl juist in dit geval Venema niets te verwijten valt. Venema noemde - voor de verandering - de bron waar hij uit geput had en plaatste vraagtekens bij het relaas van Deak. Niets meer en niets minder.

Bart FM Droog, Eenrum, juni 2012.

terug naar boven

 




bronnen


Frank van den Bogaard. Een stoottroep in de letteren. 'Groot Nederland', de SS en de Nederlandse literatuur (1942-1944). Stichting Bibliographia Neerlandica, 's-Gravenhage, 1987.
Joris van Casteren. 'Vergeten dichters Michael Deak en Wim van der Molen'. De Groene Amsterdammer, 10-03-2001. Online op: http://www.groene.nl/2001/10/vergeten-dichters-michael-deak-en-wim-van-der-molen
Joris van Casteren. In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters. Prometheus, Amsterdam, 2002.
Michaël Deak. Gedicht 'Seminarist'. Groot Nederland. April 1943. (online in te zien via 'Historische Krantenbak', Koninklijke Bibliotheek, Den Haag:
http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010326170%3Ampeg21%3Ap008%3Aa0002Gerard Groeneveld. Zwaard van de geest. Het bruine boek in Nederland 1921-1945. (Vantilt, 2009 (2de druk); 1ste druk 2001).
W.S. Huberts. Schrijver tussen daad en gedachte. Leven en werken van George Kettmann Jr. (1898-1979), met een bibliografie. Stichting Bibliographia Neerlandica, 's-Gravenhage, 1987; online als pdf-bestand (11 MB) op: http://whuberts.home.xs4all.nl/ppublicaties/kettmann.pdf
W.S. Huberts. 'Vestdijk en de Kultuurkamer'. Vestdijkkroniek, december 1987. Online op: http://whuberts.home.xs4all.nl/ppublicaties/vestdijknkk.pdf
Lisette Lewin. Het clandestiene boek 1940-1945. Van Gennep, Amsterdam, 1983 (2de druk). Online op: http://www.dbnl.org/tekst/lewi001clan01_01/index.php
Adriaan Venema. Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie. Deel 2. De harde kern. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1989. Blz 74-76. Online op: http://www.dbnl.org/tekst/vene001schr02_01/vene001schr02_01_0002.php

terug naar boven

deze pagina is gefinancieerd door:


© De Nederlandse Poëzie Encyclopedie, 2012
Webdesign Revan Barlas